Definitie / Uitleg
Subject pronouns vervangen nouns wanneer ze het subject van een zin zijn. Ze helpen ons namen en dingen niet steeds te herhalen. De belangrijkste subject pronouns zijn I, you, he, she, it, we, en they. In mededelende zinnen staan ze meestal voor het werkwoord.
Belangrijkste regels
- Gebruik I voor jezelf.
- Gebruik you voor een persoon of meer personen.
- Gebruik he voor een mannelijke persoon, she voor een vrouwelijke persoon en it voor een ding of dier wanneer geslacht niet belangrijk is.
- Gebruik we voor de spreker plus iemand anders of een groep.
- Gebruik they voor personen of dingen in het meervoud.
Voorbeelden
- I live in a small town. - Ik woon in een kleine stad.
- You are very kind. - Jij bent erg vriendelijk.
- He works in a hotel. - Hij werkt in een hotel.
- She speaks Spanish. - Zij spreekt Spaans.
- It is very old. - Het is erg oud.
- We are ready now. - We zijn nu klaar.
- They play tennis together. - Ze spelen samen tennis.
Veelgemaakte fouten
- ❌ Me live here. -> ✅ I live here.
- ❌ My brother is tall. My brother is funny. -> ✅ My brother is tall. He is funny.
- ❌ The books are new. It are expensive. -> ✅ The books are new. They are expensive.