A1

Voorzetsels van plaats: in/on/at

Definitie / Uitleg

Prepositions of place helpen ons zeggen waar iemand of iets is. De belangrijkste basisvormen zijn in, on en at. We gebruiken in vaak voor ruimtes of gebieden, on voor oppervlakken, en at voor punten of plekken als een locatie. Deze woorden zijn klein, maar heel belangrijk en vaak lastig omdat de keuze afhangt van betekenis, niet alleen vertaling.

Belangrijkste regels

  • Gebruik in voor iets binnen een ruimte: in the room, in the bag.
  • Gebruik on voor iets op een oppervlak: on the table, on the wall.
  • Gebruik at voor een punt of plek als een locatie: at home, at school, at the station.
  • Sommige uitdrukkingen moet je als vaste frase leren: at home, niet in home.
  • Kies de preposition op basis van het idee: binnen, oppervlak of punt/plek.

Voorbeelden

  • The keys are in my bag. - De sleutels zitten in mijn tas.
  • The cup is on the table. - De beker staat op tafel.
  • She is at school now. - Ze is nu op school.
  • There is a picture on the wall. - Er hangt een foto aan de muur.
  • My parents are at home. - Mijn ouders zijn thuis.
  • The children are in the garden. - De kinderen zijn in de tuin.

Veelgemaakte fouten

  • ❌ The keys are on my bag. -> ✅ The keys are in my bag.
  • ❌ She is in school now. -> ✅ She is at school now.
  • ❌ The phone is at the table. -> ✅ The phone is on the table.

Tips

  • Denk in beelden: in = inside, on = op een oppervlak, at = een plek/punt.

Volg je voortgang